De 6 spelidentiteiten
Welk type speler ben jij eigenlijk? Sta je liever achterin en speel je rally’s uit, of neem je juist snel initiatief? In dit artikel ontdek je welke spelidentiteiten er zijn en waarom het belangrijk is om te weten wat bij jou past.

De meeste spelers hebben wel een beeld van hoe ze spelen. Toch liggen sommige spelidentiteiten dicht bij elkaar. Juist daarom helpt het om scherper te krijgen welk type speler je bent.
Dat zorgt voor meer bewustwording. Je weet beter waar je sterke en zwakke punten liggen en waar je gericht op kunt trainen. Ook zie je sneller welke type spelers je goed liggen en welke minder.
Er zijn zes spelidentiteiten: de Solid Baseliner, Aggressive Baseliner, Serve & Volley-speler, Big Server, Counter Puncher en Allrounder.
Hieronder lopen we ze kort langs.
De Solid Baseliner

De Solid Baseliner voelt zich het meest thuis achterin het veld. Hij maakt weinig fouten, neemt niet onnodig veel risico en bouwt zijn punten rustig op.
Zijn forehand en backhand zijn meestal betrouwbaar. Niet elke bal hoeft een winner te zijn. Liever speelt hij een bal extra goed terug dan dat hij te snel forceert.
Daar heb je geduld voor nodig, en goede benen. Aan het net zie je hem minder vaak. Hij kan best volleren, maar passeren en lobben past vaak beter bij zijn spel.
2. De Aggressive Baseliner

De Aggressive Baseliner staat net als de solid baseliner graag achterin het veld. Er is alleen één groot verschil: de Aggressive Baseliner houdt wél van risico.
Hij heeft minder geduld en wil juist graag zelf scoren. Zijn slagen zijn vaak nét iets dwingender: eerder genomen, scherper geplaatst en strakker over het net.
Ook de Aggressive Baseliner zoekt het net niet vaak op. Daar voelt hij zich minder thuis. Fysiek is hij vaak krachtig en explosief
De Serve & Volley-speler

De Serve & Volley-speler wil naar voren. Het liefst meteen na zijn service. Hij gebruikt zijn opslag om druk te zetten en daarna snel naar het net te komen.
Vanaf de baseline zie je hem minder vaak. Lange rally’s zijn niet zijn favoriete spel. Hij wil het punt kort houden en afmaken met een volley of smash.
Deze speler moet explosief zijn en goed bewegen van achteruit naar voren. Ook als hij een paar keer gepasseerd wordt, moet hij durven blijven komen.
De Big Server

De Big Server vertrouwt vooral op zijn service. Met een goede eerste opslag wint hij direct het punt, of krijgt hij een bal terug waar hij meteen iets mee kan.
Hij hoeft daarna niet per se naar het net. Vaak blijft hij achterin en probeert hij het punt binnen twee slagen naar zich toe te trekken: service, en daarna meteen de volgende bal.
Deze speler leeft van korte punten. Aces, returns die niet terugkomen, of een snelle winner na de opslag. Als zijn service loopt, komt hij makkelijk door zijn eigen games heen.
5. De Counter Puncher

De Counter Puncher voelt zich comfortabel in de verdediging. Hij brengt veel ballen terug en maakt het zijn tegenstander lastig om het punt af te maken.
Hij hoeft niet zelf het initiatief te nemen. Liever laat hij de ander spelen, tot die te veel risico neemt.
Deze speler gebruikt zijn verdediging om het moment af te wachten. En als die kans komt, slaat hij toe.
6. De Allrounder

De Allrounder kan overal op de baan spelen. Hij is comfortabel achterin, maar komt ook naar het net wanneer dat nodig is.
Hij heeft niet één vaste manier van spelen, maar past zich aan aan de situatie en zijn tegenstander.
Deze speler gebruikt zijn variatie om het spel te lezen en keuzes te maken. Daardoor is hij lastig te bespelen en moeilijk vast te zetten.
De komende weken
De komende weken nemen we de spelidentiteiten één voor één onder de loep. We kijken per type naar wat hen kenmerkt, waar hun sterke en zwakke punten liggen en welke speelstijlen hen beter of juist minder goed liggen